20 april 2018
Nieuws

Overeenstemming van beeldmerken - een lastige zaak

Recentelijk heeft de General Court een uitspraak gedaan inzake overeenstemming van beeldmerken, waarbij zij een geheel andere visie hadden dan het Europese Merkenbureau.

In het jaar 2012 heeft Johann Graf een Europese inschrijving verkregen voor onderstaand beeldmerk. De inschrijving was verkregen voor diensten in klasse 43, namelijk ‘diensten op het gebied van het verschaffen van voedsel en drank; catering en het verschaffen van voedsel en drank voor cafés, hotels en restaurants’.

 

Marriott Corporation, uitbater van vele hotels en andere horeca gelegenheden, kwam er twee jaar later achter dat dit merk ingeschreven was. Oppositie was toen vanzelfsprekend niet meer mogelijk (de termijn daarvoor was immers verstreken), maar zij konden nog wel een actie tot nietigheid indienen. Dat deed Marriott dan ook op basis van onderstaand merk, eveneens ingeschreven voor horeca diensten in klasse 43.

 

Naast het oudere merkenrecht was door Marriott ook auteursrecht ingeroepen.

Zowel het Europese merkenbureau (EUIPO) als de beroepsafdeling daarvan verwierpen de claim van Marriott. Zij stelden dat de beeldmerken zowel visueel als begripsmatig verschilden, terwijl een auditieve vergelijking niet mogelijk was. Daar de conclusie was dat de tekens een verschillend karakter hadden, werd het verzoek tot nietigheid van Marriott afgewezen. Ook de auteursrechtelijke claim werd niet gehonoreerd.

Verder beroep bij het Europese merkenbureau is niet mogelijk, maar men kan wel in beroep bij de General Court. Daarbij is dan feitelijk het Europese merkenbureau de tegenpartij. Marriott heeft de zaak voor de General Court gebracht.

Marriott beargumenteerde daarbij dat de beroepsafdeling van het Europese merkenbureau verder was gegaan dan de tegenpartij. De beroepsafdeling had immers gesteld dat het hier om afbeeldingen van dieren ging ‘in een nogal standaard zittende positie’ en dat deze beeldmerken ‘visueel en begripsmatig verschillend zouden zijn’. Dit waren punten die niet door de tegenpartij naar voren waren gebracht, want die had slechts gesteld dat de merken niet zodanig overeen zouden stemmen dat er gevaar voor verwarring te duchten was, maar had nooit gesteld dat de merken op zich niet overeen zouden stemmen. De klacht van Marriott was dus dat de beroepsafdeling verder was gegaan dan de tegenpartij.

Marriott kwam ook met het argument dat de beroepsafdeling over het hoofd gezien had dat de gemiddelde consument merken in het geheel waarneemt en niet over gaat tot het analyseren van de details. De stelling dat de merken visueel en begripsmatig niet overeen zouden stemmen was dan ook verkeerd, net zoals hieraan de conclusie te koppelen dat er geen gevaar voor verwarring zou zijn. Marriott beargumenteerde dat de gemiddelde consument juist wel overeenstemmende tekens zal zien, omdat beide merken bestaan uit zwart-wit silhouetten van mythische schepselen die en profil getoond worden. Beide schepsels hebben dezelfde zittende positie, hun staart staat omhoog en ook de vleugels hebben dezelfde vorm en afmeting. Naast de visuele overeenstemming is er ook begripsmatige overeenstemming, want bij beide merken gaat het om een ‘mythisch schepsel met vleugels en een staart in een zittende positie’.

Ook stelde Marriott dat de auteursrechtelijke claim ten onrechte afgewezen was.

Het Europese merkenbureau stelde hier tegenover dat de merken makkelijk te onderscheiden zouden zijn, omdat de hoofden van de twee schepsels heel duidelijk verschilden. Volgens het Europese merkenbureau ging ook de begripsmatige overeenstemming niet op, want het nieuwe merk bestond uit een nieuw schepsel, terwijl het oudere merk een Griffin zou zijn, en dat is een aan het publiek bekende mythologische figuur.

In haar beslissing stelde de General Court dat de visuele overeenstemming tussen de merken een niet te verwaarlozen factor was, maar dat deze zodanig groot was dat er inderdaad gevaar voor verwarring te duchten zou zijn. Volgens de General Court had de beroepsafdeling zich vergist bij het bepalen van de visuele en begripsmatige overeenstemming en was de onjuiste conclusie getrokken dat de tekens verschillend zouden zijn.

Deze zaak toont hoe lastig het is om overeenstemming te bepalen bij zuivere beeldmerken. In twee instanties werd door het Europese merkenbureau gesteld dat er geen overeenstemming zou zijn, maar de General Court keek daar heel anders tegenaan. Dit is niet de eerste keer dat er tussen het Europese merkenbureau en de General Court over dit soort zaken anders gedacht wordt. Het toont wel hoe subjectief dit soort beslissingen zijn. De voorlopige conclusie is in ieder geval dat er meer naar overeenkomsten gekeken moet worden dan naar verschillen.

Terug